Raton Laveur
Het is half twee ’s nachts en ik heb nog steeds geen slaapplek gevonden.
Mijn dochter hangt op een schommel in een hotellobby, terwijl de receptionist alle
hotels in de omgeving afbelt om te vragen of er ergens nog een plekje vrij is.
Tevergeefs. Er is toch zeker wel één bed beschikbaar voor een zwervende moeder
met een dochter van acht? Ik overweeg een overnachting in onze auto op de
parkeerplaats, maar bedenk me dat alle dekens en slaapzakken nog in de tent zijn
achtergebleven.
De tent waar we nooit meer naar willen terugkeren.
Bij aankomst op de camping in de Ardennen, waar vrienden van ons verbleven,
bleek amper nog een accommodatie vrij. Het lot van een last-minute: ik boek een
soort van ‘tent’. Groot woord. Het betreft een zeildoek gespannen over houten
stokken. Daaronder kunnen wij droog slapen op een houten vlonder. Avontuur! We
leggen onze matjes neer in het uiterste hoekje rechts; kussens erop en slapen maar.
Hoewel… ‘Potverdrie’, roept mijn dochter, ‘kijk daar eens!’ Boven mijn hoofd kruipt
een grote dikke vette naaktslak. Voor de vorm werp ik hem en z’n vriendjes via de
gapende kier boven mijn kussen terug het natte gras in en duik diep weg in mijn
slaapzak.
“Mamaaa!” hoor ik naast me fluisteren. ‘Ja nu even niet, denk ik. Geen angst, geen
spin, geen slak, ik lig te slapen, morgenochtend wordt het weer licht. Maar dan hoor
ik plots een broodzak op pootjes door de tent heen dansen. Ik schrik me een
ongeluk, want een broodzak kraakt in de stilte van de nacht zesentachtig keer zo
hard.
“Mamaaa!” klinkt het dringend, “jaag ze weg!!” En nu reageer ik wel. Ik pak een
lampje en roep onwillekeurig “Kssjt! Kssjt!” Ik richt en zoek… De broodzak houdt zich
koest. “Ik wil hier nú weg.”, fluistert mijn dochter. Ik moet toegeven dat ook mijn
benen beven. Dan spuit ze een paar scheldwoorden en wijst naar de hoek. Daar
ligt… dertig centimeter van mijn kussen, een trillende zachte staart die zijn buit met
zijn harige buikje beschermt. Ik spring mijn slaapzak uit, mijn dochter rent bloot de
natte nacht in. Paspoort en geld, denk ik. Autosleutels. Met bibberende benen krijg ik
mijn hersenen niet helder. Buiten passeren we een laatste dronken puber bij een
nagloeiend kampvuur die ons schamper toelacht als we vertellen dat we op de vlucht
zijn. Wat is wasbeer in het frans??
De slagboom van de camping gaat open. Vrijheid! Nu een hotelletje. De benzinetank
blijkt leeg. Los ik op. Een hotelletje. Het idee in mijn hoofd van rijen motels langs de
weg moet ik loslaten. Maar ergens in een stad tref ik een hotel met open deuren!
Licht! Een balie. Een receptionist… Vol. Hij biedt aan wat andere hotels te bellen.
Vol. Ik bel zelf een hotel in Maastricht. Vol. Vraag daar naar hotels in de omgeving.
Vol.
Mijn dochter moedigt me aan: “Weet je wat ik zo goed aan jou vind? Dat je altijd zo doorzet!” Maar ik voel haar moeie lijfje naast me wegzakken in de nacht. En na
nog een uur zoeken hoor ik een bedremmeld: “ik geloof dat ik nu toch het allerliefst in
mijn eigen bedje zou willen liggen”. Om half vijf ’s ochtends vallen we op ons zachte
matras in slaap.
Vier uur later app ik de vriendin op de camping dat we thuis zijn. “Thuis??!!”,
antwoordt ze, “als in Amsterdam??!!” Met drie klikken boek ik een hotelletje op zeven
minuten rijden van de camping. “Yes”, antwoord ik. “Thuis. In Amsterdam. Maar we
stappen zo in de auto en komen jullie kant weer op hoor.”
Ik kan niet nalaten het schattige beestje even te googelen. Wasbeer. Raton laveur.
Hondsdolheid. Agressief. Roofdier. Niet aaien. U mag wegrennen…
Precies.
