Hondenmoed
Het begon met een goedbedoelde aai. Een handje zonder angst dat nieuwsgierig
een zachte vacht betastte. Dat werd beantwoord met een grote grom, ontblote
tanden en een blijf-van-mij-af-blaf waar de hele pizzeria van opschrok. Toen en daar,
bij die pizzeria om de hoek, amper anderhalf jaar oud was mijn dochter, werd hij
geboren: de hondenangst.
Binnen no-time groeide hij op. Vanzelf gevoed. Tweeëneenhalf jaar: Met een
rozijnenbol in haar knuistje liep ze een koffiezaak binnen. Waar een monster van het
formaat paard haar tegemoet liep en met zijn grote bek de bol uit haar hand rukte,
een spoor van kwijl achterlatend. Twee jaar later, in de ban van een wonderlijk wit
goedje genaamd ‘sneeuw’, liep ze vol verrukking op een iglo af in het park, en… zag
een lijnloze viervoeter op zich af komen rennen. Ze begon ook te rennen, de hond
dacht ik heb beet, een nieuw vriendje om mee te spelen, mijn dochter begon te
gillen, de hond dacht dat kan ik harder. Ik kan harder rennen dan jij, harder blaffen
dan jij en hoger springen dan jij. Maar vliegen, dat kon hij niet. Mijn dochter wel. Ze
vloog in mijn armen en kwam daar de jaren die volgden niet meer vanaf. Zodra er
een hond langskwam, sprong ze op me, of rende naar de overkant van de straat, of
desnoods terug naar binnen. Van angst naar vrees, van trauma naar fobie.
We zijn ooit eens weggegaan van een verjaardag, waar het me simpelweg niet lukte
om te gaan zitten, omdat er twee honden rondliepen en mijn dochter van pure angst
op een kast was gesprongen. Ik dacht, ik laat haar even wennen, ze komt er wel af,
van die kast. Maar nee, ze bleef erop, verstijfd, versteend en de tranen bleven
komen. Toen ben ik maar weggegaan en heb de taart laten zitten.
En nog geen paar maanden geleden, het was eerste kerstdag, wilden we na een
strandwandeling in de snijdende kou ons warmen aan een vers portie frieten. Binnen
in het café belandden we in een filmscène: we werden omringd door minstens twintig
honden. Waarvan er één ons zó dreigend aankeek dat ook ik moeilijk van mijn frieten
kon genieten. De hondenangst was volwassen geworden en staarde ons van alle
kanten recht in de ogen.
De blijf-van-me-af-blaf, de verjaardagshond en het viervoetersrestaurant zorgden
voor een steeds heviger trillend meisje, bibberend van binnen en van buiten, alsof ze
weer bij die iglo, alsof ze weer met die rozijnenbol, alsof ze weer die nieuwsgierige
aai…
Tot ze ineens een paar weken terug, zélf een besluit nam. “Ik wil Broes ontmoeten”.
Broes is de hond van haar coach, met wie ze al een paar weken een boek aan het
doorspitten was over hoe honden communiceren.
Ze speelt met Broes, ze bakt een taart voor de paarden met Broes aan haar voeten,
ze traint Broes. Broes luistert naar haar en zij luistert naar Broes. Blijf! Ze heeft de controle. Zoek! Ze voelt haar zelfvertrouwen. Apport! Ze speelt en lacht, ze beloont
en aait. Dat te zien, bij het hek aan de rand van de wei doet mijn hart keihard bonken
van trots en plezier. En vertrouwen!
In mij groeit een groot vertrouwen dat alles, álles, altijd kan veranderen.
Dat een schoolloos kind, haar leerplezier weer terug kan vinden.
Een depressieve puber, zijn lach.
Dat een lege bankrekening zich weer zal vullen op een dag.
Een agenda wellicht weer leger wordt.
Een donkere nacht wat lichter.
Omdat alles beweegt. Altijd.
“Mama”, straalt ze, “ik vind honden gewoon zóóó schattig. Mag ik een puppy?! Ah,
ah, mag ‘t, pleaeaease?!”
